25. okt, 2016

Tekst

Snikken en Grimlachjes

 

Een parel opgedoken uit de Kringloopse oceaan. Piet Paaltjens, een pseudoniem van Francois HaverSchmidt, geboren in Leeuwarden in 1835. Na een studie in Leiden was hij prdedikant in onder andere Den Helder en Schiedam. Tijdens zijn studentikoze dichtersleven in Leiden ging hij als Piet Paaltjens door het leven en woonde daar op een kamer aan de Hogewoerd 63, boven een begrafenisondernemer ook wel "Bidder" genoemd in die tijd. Paaltjens stond bepaald niet bekend als een vrolijke flierefluiter, hij beoefende een cynische romantiek die meestal over teleurstellingen in de vriendschap en liefde ging. 

Op 9 oktober 1853 was Paaltjens plotseling uit Leiden vertrooken en werd nooit meer gezien, al ging de verhalen dat hij acht jaar later is gezien in de Friese wafelkraam op de wereldtentoonstelling in Parijs een zogenaamde ooggetuige vertelde dat hij vol minachting zat te kijken naar twee buffetjuffers die wel Fries waren gekleed maar zeker geen echt Friezinnen waren.

Francois HaverSchmidt schreef later nog wel maar niet echt veel meer, er wordt beweerd dat hij de belangrijkste auteur was van het bijna mythologische Friese boek Oera Linda was en uit 1256 zou stammen maar al snel was duidelijk dat het een vervalsing was. Haverschmidt kreeg steeds meer last van depressies en vooral nadat zijn vrouw was overleden. Op 19 januari 1894 maakte hij in Schiedam een eind aan zijn leven door zich op te hangen in de bedstee aan een beddekoord.

Hier een fragment uit het lange gedicht "Des Zangers Min" geschreven als Piet Paaltjens en illustratief voor zijn werk.

De morgendamp hangt over 't veld,

en kleurt den herfstdraad wit.

Voor 't venster op de  Hoogewoerd

een minnedichter zit.

 

Een dichter, die gewoon is, om,

na d'afloop van 't ontbijt,

een lied te tokklen op de harp

zijn liefje toegewijd.

 

Niet, dat hij echt een liefje heeft;

hij stelt het zich maar voor.

Dat doen minnedichters meer;

daar zijn ze dichters voor.